03 december
IS WHIPLASH AAN HET
UITSTERVEN?
Een slachtoffer wil voornamelijk
erkenning voor hetgeen hem of haar is overkomen[1]. Als
er geen wetenschappelijke verklaring wordt gevonden voor zijn
klachten en beperkingen en wordt op die grond (blijvend) letsel
niet erkend, dan is er geen medische erkenning. Als het wettelijke
bewijsrecht niet in zijn voordeel is, dan ontbreekt in zijn ogen
(juridische) erkenning. Indien een letselschadeclaim niet wordt
erkend, stoppen vanzelf de claims en dan ontstaat het beeld dat het
verschijnsel niet voorkomt. Dit artikel spits zich toe op de vraag
of whiplash in Nederland op termijn blijft bestaan, welke vraag kan
uitgesplitst worden in de vraag of whiplashtrauma´s zich in de
toekomst nog kunnen voordoen en hoe het met de erkenning van
whiplash in Nederland is gesteld.
Technisch
Allereerst dus de vraag of whiplashtrauma´s zich het volgende
decennia nog voor kunnen doen. Daartoe richt ik mij op de
ontwikkelingen in de autobranche.
Het Britse Thatcham is vergelijkbaar met TNO. In Thatcham,
participeren ook verzekeraars. Thatcham doet sinds 2004 testen met
een BioRid whiplash dummy. Deze dummy is ontwikkeld om de belasting
op de nek van een inzittende te meten. Uit onderzoek van Thatcham
blijkt dat het gebruik van stijvere stoelen het risico op een
whiplash verhoogt. Ook blijkt uit haar onderzoek dat de
auto-industrie door de jaren heen toch nog steeds gebruik heeft
gemaakt van dergelijke stoelen. Snel groeiende automerken zouden in
2008 nog te weinig wagens hebben met autostoelen, die bescherming
bieden bij een botsing met lage snelheden.
Dan de cijfers. 49% van de autostoelen in de modellen van
2008 bieden weinig bescherming tegen whiplash, althans vallen
buiten de categorie voldoende en goed. Ten opzichte van de modellen
van 2005 is dat zelfs een stijging van 1%. De MVP's doen het
daarbij slecht: 30% van de modellen 2008 biedt weinig bescherming[2]. In 2010 is biedt 29%
van de autostoelen van de in de markt zijnde nieuwe modellen een
slechte tot matige bescherming tegen whiplash, 20% is acceptabel en
51% biedt een goede bescherming. Opvallend is dat in de categorie
`slecht` niet alleen veel compacte auto´s zitten, maar ook
bijvoorbeeld de Citroën C4 VTR, de Kia Sportage, de Lexus GS, de
Volkswagen Sharan, de Jeep Cherokee, de Jaquar X (sport). Alleen
bij de merken BMW, Volvo, Saab en Audi bieden alle typen goede
bescherming. Dat maakt het verschijnsel whiplash nog steeds
actueel.
Daarentegen is positief dat de autofabrikanten een systeem
hebben ontwikkeld, waarbij de techniek ingrijpt als men te dicht
een andere auto nadert. De auto neemt het dan even van de
bestuurder over. Indien verzekeraars een fikse premiekorting zouden
verstrekken bij de aanwezigheid van een dergelijk systeem, dan kan
zij daarmee wellicht het gebruik van een systeem stimuleren en haar
schadelast beperken.
TNO is sinds kort ook uitgerust met de BioRid whiplash dummy.
Vanaf 2009 wordt ook daar het risico op een whiplash tijdens een
kop-staartbotsing met lage snelheid beoordeeld. Mijns inzien is dit
een signaal dat de technische onderzoeken tot dusver - bij gebreke
aan een dergelijke dummy - niet voldoende betrouwbaar zijn om
daaraan vergaande conclusies te kunnen verbinden ten aanzien van
het kunnen ontstaan van een whiplash bij lage snelheden.
Op basis van de bovengenoemde feiten en recente onderzoeken zal
in letselschadeland whiplash ook het komend decennia aan de orde
zijn.
Whiplash in de medische wetenschap
Dan nu de vraag naar de erkenning van whiplash. Daarvoor
behandel ik eerst de erkenning door medici en daarna de eerst de
erkenning van whiplash in rechte.
Voor het medisch verband tussen het ongeval(mechanisme) en het
letsel wordt advies ingewonnen bij medici. Deze worden gevraagd of
op medische gronden de klachten en beperkingen tot het ongeval zijn
te herleiden. Dit is het vraagstuk van de medische causaliteit.
De medische wetenschap is min of meer een exacte wetenschap:
meten is weten. Kan de arts geen diagnose stellen anders dan dat er
sprake is van niet-objectiveerbare klachten en beperkingen, dan
wordt een keuringsarts dus gevraagd om uitsluitend op grond van
door de patiënt zelf aangegeven klachten en beperkingen de
toekomstige situatie te beoordelen. Dan gaat het veelal om de
subjectieve beleving van het slachtoffer. Een dergelijke
beoordeling valt buiten het vakgebied van een arts, die organisch
bezig is. Hij zal terughoudend zijn om te stellen dat klachten en
beperkingen blijvend van aard zijn als hij op zijn vakgebied de
klachten en beperkingen niet kan verklaren. Indien er geen
functiestoornissen en/ of beschadigingen waarneembaar zijn, is er
voor artsen dan ook vaak geen reden beperkingen op te leggen en
daarmee is er geen plaats voor enig blijvend functieverlies.
Bij whiplash kan er dan wellicht wel een evaluatie op basis van
chronische cervicale pijn volgen. Alsdan kan een arts op grond van
de AMA VI (chronisch pijnsyndroom) tot een pijngerelateerd
functieverlies van maximaal 3% blijvende invaliditeit komen[3]. Echter,
vermeldenswaardig is dat de limitering tot 3% bij een chronisch
pijnsyndroom is ingegeven vanuit een compromis, omdat hogere
percentages nog meer controverse zouden geven[4]. Dat laat zien dat
over de waardering van whiplash door artsen onderling blijkbaar
verschillend wordt gedacht.
De huidige richtlijnen van de Neurologen zijn gebaseerd op het
CBO. Het CBO heeft op haar beurt aansluiting gezocht bij de Quebec
Task Force. In die studie werd een slachtoffer hersteld verklaard
na het staken van de schadevergoeding[5]. Dat verklaart
wellicht dat de conclusie van de Quebec Task Force kon zijn dat het
post whiplashsyndroom slechts een tijdelijk en
herstelbaar karakter draagt.
Uiteraard speelt bij de waardering van whiplash ook de stand van
de wetenschap een rol. Kijken we naar de stand van de wetenschap
bij whiplash, dan ontstaat er thans het volgende beeld met
betrekking tot de objectiveerbaarheid:
1. afwijkende cervico-oculaire reflex
Bij mensen met een post whiplashsyndroom is een afwijkend
oog-beweging-signaal (afwijkend cervico-oculaire reflex)
waargenomen. Het CBO heeft die afwijking reeds erkend als behorende
bij een post whiplashsyndroom. Dus er is een en ander
objectiveerbaar en als zodanig erkend. Toch wordt dit punt in
letselschadeland niet meegenomen. Als dit een blijvende afwijking
zou zijn, zou dat in de medische beoordeling van de zaak meegenomen
moeten worden, want dan is het vaak ingenomen standpunt, dat een
whiplashtrauma een (zeer) tijdelijke en herstelbaar karakter heeft,
niet houdbaar.
2. celschade
Dr. Beijersbergen heeft aangegeven dat er bij een achterop
aanrijding een versnelling van de nekwervelkolom en hersenen
plaatsvindt. Dan kan er een uittrekking van de halswervelkolom
plaatsvinden. Daarbij wordt een drukgolf opwekt in het vocht rondom
het ruggenmerg en hersenen, wat schade blijkt toe te brengen aan
het celmembraam. De cel sterft af.[6] Dat stemt wellicht
overeen met hetgeen dr. Castro heeft waargenomen. Hij geeft aan dat
een MRI, die direct na een ongeval wordt vervaardigd, veelal een
vloeistofophoping in de nek laat zien[7]. Bij een kop-staart
botsing zou dus - ook in het kader van onderzoek naar whiplash -
wellicht een MRI in aansluiting na een dergelijke aanrijding
gewenst zijn en in een Whiplash protocol moeten meegenomen worden.
Echter, de meeste mensen worden door het ambulancepersoneel naar
huis gestuurd en komen ze al bij het ziekenhuis, dan wordt er
alleen gecontroleerd op breuken via röntgen-opnamen. Aan een MRI
komt men vaak niet toe.
3. multifunctionele MRI
Tot slot is ook gebleken dat anatomische veranderingen in
de nek, hals en hersenen zijn vast te stellen met een
multifunctionele MRI[8]. Een MRI -
aansluitend op een (vermoedelijk) nektrauma - is dus wenselijk.
Vanwege het kostenaspect en de schaarse beschikbaarheid is dat niet
het beleid van een ziekenhuis.
4. beschadiging spieren en banden
Indien een geweldsinwerking op de halswervelkolom beschadigingen
van spieren en banden inhouden[9], dan is het van
belang te weten of en in hoeverre dergelijke beschadigingen in de
weke delen geobjectiveerd kunnen worden. Kan dat niet gemeten
worden, hetgeen mij ten ore is gekomen, dan kunnen beschadigingen
aan spieren en banden dus eventueel wel bestaan. In dat geval is
derhalve niet met zekerheid te stellen dat er geen blijvende
klachten en beperkingen kunnen bestaan.
Bij medische causaliteit gaat het, zo gezegd, over het op
medisch gebied kunnen duiden van (blijvende) klachten en
beperkingen. Oogreflexonderzoeken en MRI's na een ongeval zou
wellicht het whiplash syndroom in een ander perspectief plaatsen,
namelijk dat van (blijvend) objectiveerbaar letsel. Ook onderzoek
op micro-niveau (celniveau) kan in dat kader wellicht van belang
zijn.
Kan niet met zekerheid uitgesloten worden dat er eventueel
(blijvende) schade kan zijn ontstaan en/of bestaat daarover binnen
medische vakgroepen nog discussie of onduidelijkheid, dan kunnen
die klachten en beperkingen dus niet of niet voldoende geduid
worden. Daarmee kan een slachtoffer nog wel uit de voeten. Als aan
het niet kunnen duiden de gevolgtrekking wordt verbonden dat er
geen sprake kan zijn van blijvende klachten en beperkingen
daarentegen niet. Want als een bevinding niet zeker is, dan kan een
daaruit getrokken conclusie ook niet zeker zijn. Als niet zeker is
of iemand buiten bewustzijn is geweest, is immers ook niet de
conclusie gerechtvaardigd dat er geen hersenschudding opgetreden
kan zijn. Die conclusie kan pas getrokken worden als vaststaat dat
er geen bewustheidverlies is opgetreden.
Daarbij komt dat moeilijk is uit te leggen dat Nederlandse
beroepsverenigingen vroeger bij whiplash nog tot een percentage
blijvende invaliditeit konden komen en thans opeens geen percentage
toekennen, terwijl het letsel nog steeds niet objectiveerbaar is.
De benadeelde voelt zich dan vaak in zijn klachten en beperkingen
medisch niet erkend.
Omdat bij whiplash in Nederlandse orthopedische en neurologische
richtlijnen uitgegaan wordt van geen blijvende klachten en
beperkingen, kan wellicht gezegd worden dat whiplash in Nederland
momenteel door veel medische disciplines niet meer wordt erkend.
Niet zeker is echter of die richtlijnen nog aangepast gaan worden
en weer erkenning gaat komen, nu de AMA VI daartoe wel
uitnodigt.
De juridische weerslag
Naast de medische invalshoek is er ook de juridische. Het gaat
dan om juridische causaliteit ex 6:98 BW. Als klachten en
beperkingen op medische gronden niet tot het ongeval te herleiden
zijn, moet nog de vraag beantwoord worden of deze klachten en
beperkingen evenwel naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid aan het ongeval toegerekend kunnen worden. Dit
toerekeningvraagstuk betreft de juridische causaliteit.
De Hoge Raad oordeelde in de zaak Zwolsche-De Greef[10] dat aan het bewijs
van causaal verband tussen een ongeval en de gestelde letselschade
niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Het ontbreken van een
specifiek, medisch aantoonbare verklaring voor klachten en
beperkingen hoeft niet in de weg te staan aan het kunnen aannemen
van een juridisch oorzakelijk verband, aldus de Hoge Raad. Bestaan
de klachten daadwerkelijk en kunnen die, mede gelet op de toedracht
van het ongeval, redelijkerwijs aan het ongeval worden
toegeschreven, dan is er de juridische causaliteit[11]. Het oordeel
van de Hoge Raad is in veel vonnissen en arresten herhaald.
Geoordeeld wordt dat het enkele feit, dat de artsen geen medisch
substraat hebben gevonden voor de door appellant gestelde
pijnklachten, niet meebrengt dat er geen sprake zou zijn van letsel
en/of vanuit het letsel voortvloeiende beperkingen[12]. Er hoeft dus geen
sprake te zijn van medische causaliteit om toch van juridische
causaliteit te kunnen spreken[13].
Bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen is daarbij nog
van belang dat er een ruimere (juridische) toerekening is. Klachten
en beperkingen worden dan zelfs aan het ongeval toegerekend als ze
niet in de normale lijn van de verwachte aandoeningen liggen en/of
medisch niet rechtstreeks tot het ongeval zijn te herleiden[14]. Sterker nog, een
enkele rechter durfde zelfs te stellen dat in whiplashzaken onder
voorwaarden de omkeerregel mag worden toegepast[15]. Dus alle reden om
geen zorgen te hebben met betrekking tot standpunten met betrekking
tot de medische causaliteit, omdat de benadeelde op juridische
gronden wel weer erkenning krijgt?
Nee, dat niet. Er zijn ook andere uitspraken. Zo heeft de
rechtelijke macht zelf ook soms moeite met het verschil tussen de
medische en de juridische causaliteit en raakt zij in de war van
verschillende medische richtlijnen, zo blijkt uit de uitspraken van
het Hof Amsterdam van 29 april 2008 en van het Hof Den Bosch van 12
februari 2008[16]. De
wijzigingen van de richtlijnen en de verschillende causaliteiten
kunnen maken dat een benadeelde met whiplash rechtens geen
erkenning krijgt.
Conclusie
Er zijn nog steeds te veel auto´s op de weg, die geen of weinig
bescherming bieden tegen het kunnen ontstaan van een whiplash. En
er zijn ook te weinig auto´s op de weg die tegen het ontstaan van
een kop-staartbotsing bescherming bieden. Whiplashtrauma´s zijn
daarom vooralsnog niet uitgesloten.
Wordt whiplash medisch en/of juridisch niet erkend, dan zullen
er op termijn ook geen claims meer zijn. Maar als niet met
zekerheid is te stellen dat er geen medisch en/of juridisch causaal
verband tussen het ongeval en de (blijvende) klachten en
beperkingen aan de orde kan zijn, is de vraag of het slachtoffer
wel recht wordt gedaan. Zijn/haar whiplash wordt dus ontkend,
terwijl op basis van mogelijke causaliteit eigenlijk een goede
grond voor die ontkenning ontbreekt. Gesteld wordt dan dat de
wereld plat is, behoudens de door het slachtoffer te leveren
tegenbewijs. Nu er factoren zijn die maken dat het best zo kan zijn
dat de wereld rond is, pleit ik voor een omkering van de
bewijslast. Dit klemt te meer, nu het slachtoffer meestal geen
schuld aan het ongeval, maar door de bewijslast een secundaire
victimatisering ervaart. Die omkering kan daarnaast onderzoeken en
whiplash-vermijdende technieken stimuleren, zodat we op dat punt
ook verder komen.
Kortom: zolang whiplashtrauma nog aan de orde kunnen zijn en
zolang er op medisch en juridisch vlak er nog open einden, hiaten
en tegenstrijdigheden zijn, zal whiplash medici en juristen
voorlopig nog bezighouden en is whiplash voorlopig nog niet
uitgestorven. Ik hoop met dit artikel aan de discussie over
whiplash te hebben bijgedragen, maar vooral te hebben laten zien
dat de wereld niet plat hoeft te zijn.
Mevr. mr. S.C. van Veldhoven
Personenschade-expert/advocaat bij Berntsen Mulder Advocaten te
Alphen aan den Rijn
© copyright by mr. S.C. van Veldhoven, december 2010
[1] Zie
biivoorbeeld het onderzoek verricht door prof. dr. Akkermans in het
kader van Wetsvoorstel Affectieschade in PIV/bulletin 2007, nr. 7.
Daaruit bleek dat erkenning door de wederpartij en omgeving door
slachtoffers als zeer gewichtig wordt ervaren.
[2] Zie M.
Avery, whiplash and car design, blad en jaar publicatie niet
bekend, vermoedelijk 2005 en www..thatcham.org.
[3] Zie onder
meer dr. E.H.M. van den Doel, Whiplash en de neuroloog, TVP 2008,
nr 1, pag 1 en Column van dr. H.J. Gelmers, PIV-bulletin 2008, nr
3.
[4] Zie dr.
E.H.M. van den Doel, Whiplash en de neuroloog, TVP 2008, nr 1, pag
3
[5] zie onder
`crash test studies` en `biomechanical studies` in `A review and
methodologic critique of the literature refuting whiplash syndrome`
van prof. dr. M.D. Freeman, dr. A.C. Croft, prof. M. Reiser, e.a.
op www.whiplash101.com.
[6] Lezing dr.
Beijersbergen op de KSU-themadag PSW d.d. 29-9-2008
[7] PIV-bulletin
2008-1, prof. dr. med. W.H.M. Castro, whiplashproblematiek in de
keuringssituatie, pag. 12
[8] KSU-themadag
PSW d.d. 29-9-2008
[9] Zie dr.
E.H.M. van den Doel, Whiplash en de neuroloog, TVP 2008, nr 1, pag
1
[10] HR 8 juni
2001, NJ 2001, 433
[11] Zie Rb.
Arnhem 13 april 2005 LJN AT5929, 117594
[12] Zie in die
zin Hof Den Bosch 6 mei 2008 HD 103.004.244, PIV kennissite: r.o
4.22, Hof Leeuwarden 10 augustus 2010 LJN BN3975 , r.o. 9 en Rb.
Breda 17 december 2008 LJN BG7505, r.o. 3.5-3.6 alsmede Hof
Den Haag 8/4/2008 LJN BC9236 C07/460: r.o. 8 en Rb Arnhem 13 april
2005 LJN AT5929
[13] Zie ook
PIV-bulletin 2008, nr. 5/6: mevr. G. Vogeler, Een mens lijdt het
meest door het lijden dat hij vreest (onder conclusie) en Prof.
A.J. Akkermans, te kennen uit PIV-bulletin 2008, nr. 5/6
[14]Zie bijv.
Hof Amsterdam 24-7-2003 NP 2003, blz. 8, Zie in die zin ook Rb.
R´dam 6/2/2008 LJN BC 6460, 247838-HA ZA 05-2894 en noot 16.
[15] Rb. Den
Bosch 18 juni 2003 NJ Kort 2003,78
[16] Hof
Amsterdam 29-4-2008 104.004.098 PIV-kennissite en Hof Den Bosch
12-2-2008 LJN BC4873 C0600857.
Zo ook Hof Den Bosch 6 mei 2008 (HD 103.004.244 PIV-kennissite).
Daarin gaat het Hof uitsluitend uit van medische causaliteit uit
als zij aangeeft het oordeel van een neuroloog tot het zijne maakt
dat op grond van de richtlijnen van de NVvN geen
postwhiplashsymdroom valt te duiden en dus niet bewezen acht dat de
subjectieve klachten ongevalsgevolg kunnen zijn (r.o 4.24- 4.30).
Zij geeft enerzijds aan dat het niet gaat om de kwalificatie van
klachten, maar om de vraag of deze klachten op medische gronden als
ongevalsgevolg kunnen worden beschouwd en grijpt terug op het
rapport van de neuroloog dat gebaseerd is op de NVvN richtlijnen
(r.o 4.40).