08 januari
ONGEVALLEN- EN ARBEIDSONGESCHIKTHEIDVERZEKERINGEN IN DE
LETSELSCHADE:
VOORDEELVERREKENING IN EEN DRIEHOEKSVERHOUDING.
Inleiding
Als in een letselschadezaak een ongevallen- en/of
arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) afgesloten is, is de vraag
of die uitkering bij de benadeelde op de schadevergoeding in
mindering mag worden gebracht en zo ja, in hoeverre. Daar zal
hieronder op ingegaan worden.
Karakter van de verzekering
Om hierover te kunnen oordelen, zal eerst het karakter van de
verzekeringen besproken worden. Het principiële verschil tussen de
schadeverzekering en sommenverzekering is dat een schadeverzekering
de strekking heeft vermogenschade te vergoeden (art. 7:944 BW),
terwijl het voor een sommenverzekering er niet toe doet in hoeverre
door een uitkering uit die verzekering schade wordt vergoed (art.
7:964 BW). Bij een sommenverzekering is de uit te keren
vergoeding immers bij het sluiten van de verzekering vastgelegd en
onafhankelijk van de daadwerkelijke schade. Volgens de wetgever is
zowel de AOV als de ongevallenverzekering een sommenverzekering
[1]. Hoewel deze in beginsel strekken tot vergoeding van
schade, hebben deze immers verder het karakter van een
sommenverzekering. De rechtspraak heeft zich inmiddels bij het
standpunt van de wetgever aangesloten, voor wat betreft de huidige
polisredactie van dergelijke verzekeringen
[2].
Verhaalsmogelijkheden
Bij een schadeverzekering gaat het om vergoeding van de
daadwerkelijk geleden schade. Daarbij is subrogatie (art. 284 WvK)
en daarmee regres mogelijk. Bij een sommenverzekering is de eigen
verzekeraar slechts verplicht de overeengekomen verzekerde som uit
te keren, welke los staat van de werkelijk geleden schade en dus
ook van de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke partij.
Bij een sommenverzekering is er geen subrogatie mogelijk en daarmee
ook geen verhaalsmogelijkheid. Omdat een ongevallenverzekering en
AOV als sommenverzekering wordt aangemerkt, kan de eigen
verzekeraar dus niet zijn uitkeringen op de aansprakelijke partij
verhalen.
Eisen voor voordeelverrekening
Artikel 6:100 BW ziet op voordeelverrekening. Dat is het
verrekenen van een opgekomen voordeel met de verschuldigde
schadevergoeding, indien eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde
naast schade ook voordeel heeft opgeleverd. Er zijn drie
voorwaarden voor voordeelverrekening:
- het voordeel moet in causaal verband staan met de
schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij een
sommenverzekering is daarvan minder snel sprake dan bij een
schadeverzekering.
- het voordeel is werkelijk genoten of zal, naar
redelijke verwachting, daadwerkelijk genoten
worden
[3]. Nagegaan moet dus worden wat in feite het
voordeel is.
- voordeelverrekening moet in de gegeven omstandigheden
redelijk zijn (redelijkheidscriterium)
[4].
Ingevolge art. 150 Rv rust de bewijslast hiervan op degene die
op voordeelsverrekening een beroep wenst te doen.
Voordeelverrekening bij een AOV- en/of ongevallenverzekering
Als de aansprakelijke partij niet beducht hoeft te zijn op
regres, dan ontstaat er dus een extraatje. Vraag is echter aan wie
het voordeel van de ongevallen- of AOV-verzekering dan moet
toekomen? De benadeelde of - via voordeelverrekening - aan de
aansprakelijke partij? Daarop wordt hieronder aan de hand van
de parlementaire geschiedenis, de literatuur, rechtspraak en
praktijk ingegaan.
A. De parlementaire geschiedenis en literatuur
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt weerstand tegen
voordeelsverrekening bij een sommenverzekering. Zo werden door
grote partijen hierover aangegeven
[5]:
- dat het onredelijk is dat het
verzekerd zijn tegen een onzeker voorval, waarvoor soms jaren
premie is betaald en bedoeld is om `dalen` in het inkomen op te
vangen, aan de pleger van een onrechtmatige daad zou toevallen.
- dat het onredelijk is dat een
benadeelde bij voordeelverrekening op gelijke positie komt te staan
met een ontvanger van een uitkering uit hoofde van een
schadeverzekering, terwijl de dader er met het voordeel vandoor zou
gaan. Voor het schadegedeelte van de sommenverzekering bestaat er
immers geen subrogatie.
- dat ook artikel 284 WvK niet is geschreven
om een benadeelde een extraatje af te pakken, maar juist om de
dader geen voordeel te verschaffen.
Ook volgens de wetgever kan het soms redelijk zijn dat een
slachtoffer meer krijgt dan zijn werkelijke schade. Als voorbeelden
noemt de wetgever
[6]:
- dat iemand een
sommenverzekering heeft gesloten vanuit de gedachte dat er altijd
schadeposten moeilijk of niet verhaalbaar zijn;
- dat immateriële schade
slechts in bepaalde gevallen kan worden toegekend;
- dat de verzekerde bereid
is inkomen in te leveren in de vorm van premiebetaling teneinde in
een geval van schade over een ruimere compensatie te beschikken dan
alleen de vergoeding van de werkelijke schade.
In zowel de parlementaire geschiedenis als in de literatuur
worden nog aanvullende omstandigheden genoemd die bepalend zijn
voor eventuele verrekening van een opkomend voordeel
[7]. In schema gaat het dan om de volgende omstandigheden:
|
|
Ten voordele van voordeelverrekening
|
Ten nadele van voordeelverrekening
|
|
Premiebetaling
|
door anderen
|
door benadeelde zelf
|
|
Premie
|
laag in relatie tot de schade
|
hoog in relatie tot de schade
|
|
Verband tussen voordeel en schade
|
groot
|
geringer
|
|
Aansprakelijkheid
|
risico-aansprakelijkheid
|
schuldaansprakelijkheid
|
|
Dekking aansprakelijkheid door een verzekering tegen wettelijke
aansprakelijkheid
|
|
Artikel 6:109 lid 2 BW bepaalt dat een rechtelijke
matiging niet mag geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de
schuldenaar zijn aansprakelijkheiddoor verzekering heeft gedekt of
verplicht was te dekken, dus bij aanwezigheid van WA-dekking
is voordeel-verrekening dan nooit redelijk.
|
|
Mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de aansprakelijke
partij
|
|
Groot, in ieder geval groter dan die van de benadeelde
partij
|
|
De immateriële gevolgen van een ongeval
|
|
Het wordt vaak niet redelijk geacht om nog te stellen dat de
benadeelde of zijn nabestaande een voordeel in de schoot is
gevallen gelet op de ernst van de gevolgen van het ongeval. De
benadeelde en zijn nabestaanden hebben door het ongeval al zich de
nodige opofferingen getroost.
|
|
Doel en strekking van de persoonsverzekering
|
Verzekering is als minimumbestaansgarantie afgesloten
|
Verzekering niet mede afgesloten in het belang van de
aansprakelijke partij
|
B. Rechtspraak
De rechtspraak leidde tot 1 oktober 2010 soms tot verschillende
uitkomsten, mede afhankelijk van de input die aan de rechter werd
gegeven
[8]. Bij ongevallenverzekeringen werd voordeelverrekening
echter door rechters in het algemeen niet redelijk geacht, zelfs
indien de ongevallenverzekering door een ander dan de benadeelde is
afgesloten en de premie ook door die ander (bijv. werkgever)
is betaald
[9]. Dat is pas anders als de aansprakelijke partij de premies
heeft betaald en bij een overlijdensschade.
De Hoge Raad heeft op 1 oktober 2010 de wetgever en literatuur
gevolgd en de volgende uitgangspunten in geval van
voordeelsverrekening bij letselschade gegeven
[10]:
(a)
De uitkering dient dezelfde schade te vergoeden als die
waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept,
aansprakelijk is en voordeelsverrekening dient terughoudend
te worden toegepast.
Daarbij noemt de Hoge Raad als reden dat de verzekering kan
zijn aangegaan ter dekking van schadevormen die rechtens of in de
praktijk niet voor (volledige) vergoeding in aanmerking komen, of
ter aanvulling van bedragen die in voorkomend geval als
schadevergoeding, bijvoorbeeld ter zake van smartengeld, aan de
betrokkene kunnen worden toegekend.
(b) Voordeelsverrekening
is mogelijk bij een uitkering ingevolge een schadeverzekering
vanwege de mogelijkheid van subrogratie en regres voor de gedane
uitkeringen en dus dat de aansprakelijke partij voor dat bedrag
voor die uitkeringen door de verzekeraar kan worden
aangesproken.
(c)
Geschiedt de uitkering op grond van een sommenverzekering die
door de benadeelde zelf (of door een ander, buiten de sfeer van de
aansprakelijke persoon) is gesloten en betaald, dan komt
verrekening in het algemeen niet in aanmerking.
Redenen hiervoor zijn aldus de Hoge Raad dat het bestaan van
een zodanige verzekering een aangelegenheid is die de
schadeplichtige niet aangaat, waar het afsluiten van een dergelijke
verzekering een zuiver individuele en persoonlijke beslissing is,
zowel wat betreft de vraag of men een zodanige verzekering zal
afsluiten, als wat betreft de vraag voor welke bedragen men zich
wenst te verzekeren en welke premie men in verband daarmee bereid
is te betalen.
(d)
Is de premie voor de sommenverzekering echter door de
aansprakelijke persoon betaald, dan kan daarin aanleiding worden
gevonden wel tot verrekening over te gaan, maar dan moet
ingevolge (a) daarbij rekening worden gehouden met de vraag met
welk oogmerk de aansprakelijke persoon de premie voor zijn rekening
heeft genomen.
(e)
Is de in het geding zijnde aansprakelijkheid gedekt door een
verzekering, dan zal verrekening van een uitkering ingevolge een
sommenverzekering in het algemeen niet redelijk
zijn.
(f)
En als er verrekening mogelijk is dan bestaat in het algemeen
eerder aanleiding indien sprake is van een risicoaansprakelijkheid
dan bij schuldaansprakelijkheid alsmede naarmate de aansprakelijke
persoon minder verwijt van het schadebrengende feit kan worden
gemaakt.
Hiermee is het beroep op voordeelsverrekening in de letselschade
al zeer beperkt en voor WA-verzekeraars tot (bijna) nul
teruggebracht.
C. Andere overwegingen, omstandigheden en factoren (die pleiten
tegen voordeelverrekening)
1.
Achtergrond art. 284 WvK
Hiervoor is al aangegeven dat uit de parlementaire geschiedenis
blijkt dat art. 284 WvK niet is geschreven om een benadeelde een
extraatje af te pakken, maar juist om de dader geen voordeel te
verschaffen. Ik zie niet in dat bij art. 6:100 BW dat uitgangspunt
opeens anders zou moeten zijn. Bij het ontbreken een
regresmogelijkheid voor de ongevallen- of AOV-verzekeraar betekent
voordeelverrekening immers dat het voordeeltje bij de benadeelde
wordt afgepakt en aan de aansprakelijke partij wordt
geschonken.
2.
Eigen schuld
Bij eigen schuld aan het ongeval ontvangt de benadeelde geen
volledige schadevergoeding. Dan ligt het niet voor de hand hem ook
nog eens te korten door zijn ongevallen- of AOV-uitkering met zijn
schadevergoeding te verrekenen. Zoals hierboven reeds is aangegeven
wordt een verzekering juist gesloten met het oog op moeilijk of
niet verhaalbare schade. In de literatuur wordt dan ook betoogd de
om de benadeelde het voordeel van de door hem afgesloten
verzekering eerst te laten gebruiken om het door hem zelf te dragen
gedeelte van de schade te compenseren en dat pas daarna
voordeelverrekening toe te passen
[11]
3.
Ophogingmogelijkheid verzekerd bedrag
Bij een AOV kunnen verzekerden vaak de verzekerde som om de
zoveel tijd ophogen met een bepaald percentage, bijvoorbeeld
maximaal 15%. Voorwaarde is wel dat men op dat moment niet
arbeidsongeschikt is of een half jaar niet arbeidsongeschikt is
geweest. Als door een ongeval, waarvoor een ander aansprakelijk is,
die mogelijkheid vervalt, is er een gemis van een voordeel. Wordt
de verzekerde daarna ziek, dan komt hem een lagere uitkering
(verzekerde som) toe dan waarvan zonder ongeval sprake zou zijn
geweest. Stel de verzekerde som was in 2010 € 30.000,00, dan is de
uitkering € 82,19 per dag. Zou de verzekerde zijn verzekerde som in
2011 kunnen hebben ophogen met 15% tot dus een verzekerde som van €
34.500,00 en zou hij vanaf 2011 bij ziekte € 94,52 per dag hebben
ontvangen. Tegenover staat wellicht een premieverhoging, maar deze
is over het algemeen beduidend geringer dan het voordeel van de
ophogingsmogelijkheid. Al met al heeft de benadeelde door het
ongeval dus geen of een latere opbouw van de verzekerde som door
het ongeval gehad en die werkt tot aan het einde van de verzekering
door. In theorie zou deze schade verhaalbaar zijn, maar in praktijk
is deze niet of nauwelijks te berekenen.
4.
Hogere premie en/of moeilijkere
verzekerbaarheid
Hoewel de betrokkene bij aanwezigheid van een AOV of
ongevallenverzekering wel zijn schade vergoed zal zien, kan hij
door een ongeval in de toekomst te maken krijgen met een hogere
verzekeringspremie en/of moeilijkere verzekerbaarheid van zijn
gezondheidsrisico elders (arbeidsongeschiktheidsrisico elders,
levensverzekering, hypotheek, ziektekosten, etc.). Ook deze schade
is niet of nauwelijks te berekenen.
5.
Verrekening van premie
De premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekeringen worden
beschouwd als algemene beroepskosten en staan niet in causaal
verband met de schade door een ongeval, zodat deze in beginsel niet
op grond van schadebeperkende maatsregelen ex 6:96 lid 2 sub a BW
kunnen worden opgevoerd. Toch acht de rechter het zeer redelijk dat
betaalde premies worden verrekend in geval dat voordeelverrekening
redelijk wordt geacht
[12].
6.
Effecten van verrekening bij een zelfstandige
Is de benadeelde een zelfstandige, dan geldt het volgende. Bij
een zelfstandige wordt voor berekening van het verlies van
arbeidsvermogen gekeken naar het verschil in winst voor en na het
ongeval. Dat verschil is het verlies van arbeidsvermogen.
De winst en daarmee het inkomen voor ongeval wordt gedrukt,
indien de verzekeringspremies ten laste van het resultaat van de
onderneming zijn gebracht. Dat is reeds een voordeel voor de
aansprakelijke partij. Zonder AOV zou de winst voor ongeval immers
hoger zijn geweest en daarmee het verlies van arbeidsvermogen.
Als aan de andere kant de AOV-uitkeringen in de jaarrekening
wordt meegenomen, wordt de winst en daarmee het inkomen na ongeval
hoger. Die ophoging is fiscaal niet wenselijk, maar wel soms nodig
om het levenswerk van benadeelde niet failliet te laten gaan,
zoals bijvoorbeeld bij onvoldoende bevoorschotting of een
schulddeling. Zonder AOV zou de winst na ongeval lager zijn geweest
en daarmee het verlies van arbeidsvermogen hoger.
Omdat in die situatie de premies en uitkeringen reeds in de
winst zijn verrekend, is het niet gewenst dat na bepaling van het
verschil in winst voor en na het ongeval de uitkeringen worden
afgetrokken van het inkomen van de zelfstandige, want dan verreken
je dubbel. Die waren immers al in de winst verrekend. Sterker nog,
die tweede verrekening kan er zelfs voor zorgen dat een benadeelde
feitelijk zijn schade niet geheel vergoed krijgt. Toch komt dit in
de praktijk wel voor.
Slotsom
Bij een ongevallen- of AOV-verzekering zijn er thans geen of
nauwelijks regresmogelijkheden. Dat betekent dat een dergelijke
verzekering een extraatje is. Maar voor wie? Ik heb laten zien dat
er tal van factoren te noemen zijn, waardoor niet voldaan aan de
voorwaarden van art. 6: 100 BW: er is feitelijk niet echt sprake
van voordeel en/of voordeelverrekening is onder omstandigheden niet
redelijk. Als paal boven water staat echter dat het extraatje naar
huidige maatstaven aan de benadeelde moet worden toegekend en niet
aan WA-verzekeraars, mede in het licht van art. 6: 109 lid 2 BW en
de gedachte achter 284 WvK. Een beroep op voordeelsverrekening is
dan ook thans niet meer en minder dan trekken aan een dood paard.
Zonde van alle tijd en kosten, die met dergelijke discussies
gepaard gaan.
©Mw. mr. S.C. van Veldhoven
[1] Kamerstukken II, 1985/1986, 19529 nr. 3 pag. 6.
[2] HR 3 oktober 2008 NJ 2009, 80 en HR 17 oktober 2008 LJN
BF0006 en in diens navolging Rb . Utrecht 16 juni 2010 LJN BM8006
en Rb. Utrecht 7 juli 2010 LJN BN0731 en Hof Den Haag 25 mei 2010
LJN BM5499.
[3] HR 1 februari 2002 LJN AD6627
[4] Zie HR 17 december 1976 VR 1977, 34
[5] Zie PG boek 6 Inv. P. 1295 e.v.
[6] MvA II Parl. Gesch. 6 p. 349
[7] Ontleend aan mr. W.J.G. Oosterveen in Burgerlijk Wetboek,
Tekst en commentaar boeken 6,7 en 8, 8e druk, 2009 pag.
2389-2391 alsook conclusie AG Wuisman bij HR 11 juli 2008 LJN
BD1902 (r.o. 2.11.6) en conclusie AG Spier bij HR 4 februari 2000
LJN AA4719 NJ 2000, 600 (r.o. 3.1-3.24)
[8] Zie Hof Den Bosch 12 december 2001 VR 2002, 200: ´dat geen
rechtsregel meebrengt dat uitkeringen op basis van een
arbeidsongeschiktheidverzekering vanwege voordeelverrekening op de
schadevergoeding in mindering moet worden gebracht, omdat het
bestaan van zo´n verzekering de pleger van een onrechtmatige daad
niet aangaat´. Zie ook Rb. Arnhem 23 april 2008 LJN BD1779:
´niet valt in te zien waarom het redelijk zou zijn het voordeel uit
een sommenverzekering door verrekening aan de aansprakelijke partij
te laten toekomen´. Anders oordeelden echter Rb Arnhem 7 juni 2006
LJN AY0497, Rb Zwolle 2 oktober 2002 TVP 2003,3 en Hof Arnhem 4
november 2008 LJN BH2850, VR 2009, 73 en Hof Arnhem 10 februari
1998 VR 1998, 174. Daarin wordt voordeelverrekening wel geoorloofd
geacht, omdat de verzekering de strekking heeft de inkomensschade
bij arbeidsongeschiktheid te vergoeden en niet bedoeld is om de
verzekerde een extraatje te verschaffen.
[9] Zie HR 28 november 1969 NJ 1970, 172 (IBC/Derkx), Rb.
Amsterdam 30 december 1998 VR 1999, 81 en Hof Den Bosch 22 juli
2003 NJ 2004, 367 alsmede Rb. Arnhem 23 april 2008 LJN BD1779 en
Hof Arnhem 1 december 2009, letselschademagazine.nl en Gem. Hof v
Just. 18 augustus 2009 LJN BJ5903 alsmede Rb. Rotterdam 8 september
2010 LJN BN9171 en Hof Arnhem 1 december 2009 (Leenbakker/R),
letselschade magazine
[10] HR 1 oktober 2010 LJN: BM7808 09/00418, JA 2010, 155,
JAR 2010, 272, RvdW 2010, 1120 en VR 2011, 24
[11] Zie handboek Personenschade, juli 2009, pag.
3140-31/32
[12] zie HR 1 oktober 2010 LJN: BM7808 09/00418, JA 2010,
155, JAR 2010, 272, RvdW 2010, 1120 en VR 2011, 24 en Hof Arnhem 4
november 2008 VR 2009, 73 r.o. 5.8, waarin geoordeeld werd tot
verrekening van alle premies, terwijl eerder de Rb Arnhem op 7 juni
2006 (LJN AV9120) alleen maar premieverrekening voor een jaar
toestond.